Instructies voor de docent
Er is een uitgebreid overzicht waarin de moeilijkheidsgraad van de gedichten wordt toegelicht. In dit overzicht is per gedicht voor elk van de in de inleiding genoemde criteria aangegeven of ze naar onze mening makkelijk of moeilijk waren. Dit overzicht kunt u opvragen bij het Steunpunt Nederlands als vreemde taal, e-mail: info@snvt.org
In deze docenteninstructie zijn telkens alleen de meest relevante punten betreffende de moeilijkheidsgraad van de gedichten en eventuele aandachtspunten genoemd. Alle woorden die niet in het basiswoordenboek voorkomen, worden vermeld.
Per les wordt aangegeven bij welke oefeningen luistermateriaal beschikbaar is via de website.
Ook kunt u de sleutel die bij de oefeningen hoort downloaden.
♦ DE MUS
Woordenschat: mus (pw).
Een lastige constructie komt in dit gedicht niet voor. Het woord “tjielp” kan wat betreft uitspraak problemen opleveren. Dit gedicht kan aan het denken zetten over de weergave van dierengeluiden in verschillende talen - daar sturen de begripsoefening en de uitspraakoefening op aan. De oefeningen zijn niet zo moeilijk, want ze doen geen groot beroep op de vaardigheden van de student.
Een leuk gedicht over dierengeluiden in andere talen is “Taal” van Rudy Kousbroek.
Bij oefeningen 2, 4 en 5.
♦ SOMS
In dit gedicht treedt inversie op vanwege “soms” en komt de constructie met “om te” voor. Hier wordt in de oefeningen alleen impliciet mee geoefend. De zinsmelodie wordt geoefend. Een bijzondere klank is [ui].
Bij oefeningen 2 en 4.
♦ DE STAD IS NOG STIL
Alle woorden komen voor in het basiswoordenboek.
De [uu] in muur kan moeilijk zijn. Er zijn begripsoefeningen bij de plaatsbepaling “tegen elkaar en een muur”, waarin “tegen” is weggelaten, en over de metaforische betekenis van “slapen”. De culturele context doet Nederlands / Vlaams aan door de fietsen, maar dit is natuurlijk niet noodzakelijk. In de uitspraakoefening wordt met het woordaccent geoefend.
Bij oefeningen 2 en 7.
♦ DE VOGELS
Woordenschat: waarvan, keihard (pw).
Een bijzondere constructie is de vaste voorzetselverbinding “wakker worden van”. De begripsoefening besteedt hier aandacht aan. De klank [o] in vogels komt steeds terug. Daar kan aandacht aan worden besteed, evenals aan de klank [aa] tegenover [a]. De expressieve oefening is behoorlijk vrij en stelt daardoor wel eisen aan de actieve woordenschat van de student. In de uitspraakoefening traint de cursist om het verschil [w] en [v] te horen.
Bij oefeningen 1, 7 en 8.
♦ 3 DEUREN
Woordenschat: duwen, afstapje, opstappen (pw), opstapje.
Dit gedicht bevat geen moeilijke constructies. Het moeilijkst zal het onderscheid tussen “Afstapje” en “Opstapje” zijn. De lay-out van het gedicht, die deze woorden laat inspringen, kan visuele hulp bieden voor het woordbegrip. De oefeningen gaan verder in op de voorvoegsels “op” en “af”, op intonatie en op de uitspraak van verkleinwoorden.
Bij oefeningen 1 en 6.
♦ ALS NIEMAND
Woordenschat: dode (pw.)
Dit gedicht bestaat uit een zin met ongemarkeerde woordvolgorde, behalve de inversie na de bijzin. Het gebruik van “er” kan moeilijk zijn, hier wordt niet op in gegaan in de oefeningen. Het gedicht mist interpunctie. Een moeilijke klank is weer [ui] in “luistert”. De oefeningen besteden vooral aandacht aan begrip en aan woordaccent.
Bij oefeningen 2 en 5.
♦ EN JIJ?
Woordenschat: piloot (pw).
Een gemarkeerde constructie is de “als … dan”-constructie, met inversie. Deze constructie moet de student zelf ontdekken. Verder moet de student zijn mening geven over het gedicht, op een gestuurde manier. Tenslotte wordt de zinsmelodie van de vraagconstructie geoefend.
Bij oefeningen 1 en 8.
♦ VERLEGEN
Woordenschat: verlegen (pw), banaan (pw).
Bij het ontbreken van interpunctie in dit gedicht is een begripsoefening. Er komen geen moeilijke constructies voor, maar de zinnen zijn wel vrij lang. “Nu komt het erop aan” is een idiomatische uitdrukking. De manier waarop verliefde mensen met elkaar omgaan verschilt per cultuur, hiervoor is (indirect) aandacht in een oefening. De uitspraakoefening gaat in op rijm en rijmwoorden.
Bij oefening 2.
♦ VIJF KORTE GEDICHTEN
Woordenschat: bijna (pw), zwenken (pw), dor (pw), sprookje (pw), rechtvaardig (pw); “ziekenbezoek” komt in beide woordenboeken niet voor, wel de delen van de samenstelling: “ziek” en “bezoek”; “resumeren” komt in beide woordenboeken niet voor, maar is wel te herleiden uit andere Europese talen.
Moeilijke klanken kunnen zijn: [ui], [zw] en [ij]. Deze klank komt terug in de uitspraakoefening.
Er zijn enkele ingewikkelde constructies: “zie je een vogel […] zich bedenken”, tweemaal een betrekkelijke bijzin ingeleid met “die”, waarvan er een voorop geplaatst is, en eenmaal een infinitief bij een bijvoeglijk naamwoord (“makkelijk te resumeren”).
Doordat de gedichten zo kort zijn, kan de interpretatie van sommige gedichten problemen opleveren.
Bij oefeningen 2 en 7.
♦ HET LIEFST
Woordenschat: liefs (pw), spannend (pw), allermooiste (pw), ezelsoortje staat in geen van beide woordenboeken, maar kan eenvoudig geïllustreerd worden.
In de eerste strofe treffen we een aantal zinnen aan zonder persoonsvorm, waarover geen begripsoefening aanwezig is. De laatste zin van het gedicht is moeilijk door de constructie “het allermooiste is dat…” en de bijzin die eraan wordt toegevoegd. “Iemand als een boek lezen” is tamelijk abstract, dit komt aan bod in een oefening. In de uitspraakoefening wordt de superlatief en de
omschreven vorm van de superlatief (het allermooste) geoefend.
Bij oefeningen 2, 5, 6 en 7.
♦ WIJS
Woordenschat: wijzer (pw), ouwe sok.
In dit gedicht komt een comparatiefconstructie voor en door het homoniem wijzer wordt daar mee gespeeld. In de eerste strofe wordt steeds het onderwerp weggelaten bij de samentrekking. Bovendien bestaat het object steeds uit een beknopte lijdend voorwerpszin, die in de derde regel elliptisch is. “Zijn hart dat zong” is een ongebruikelijke constructie die de studenten misschien nog niet eerder zijn tegengekomen.
De moeilijke klanken, bijvoorbeeld [ij] en vooral [w], worden geoefend. Aan de grammatica wordt in de oefeningen geen aandacht besteed. Er wordt wel geoefend met woordenschat. De expressie-oefening stelt veel eisen aan de woordenschat.
Bij oefeningen 3 en 7.
♦ IK WIL ALLEEN
Woordenschat: aangaan (pw).
In dit gedicht komen drie beknopte onderwerps- of lijdend voorwerpszinnen voor. In de tweede strofe is de woordvolgorde object - verbum - subject in plaats van het gebruikelijke subject - verbum - object. Het thema van het gedicht is abstract en het gedicht heeft een vreemde vorm. De oefeningen zijn er vooral op gericht om met die vorm te experimenteren. De spreekvaardigheid van de studenten moet bovendien een bepaald niveau hebben, omdat ze samen moeten discussiëren over het onderwerp van het gedicht. De uitspraakoefening laat zien dat in eenzelfde zin het accent op verschillende woorden kan vallen, afhankelijk van de context.
Bij oefeningen 2, 6 en 7.
♦ IN HET DONKER VAN EEN ONDERARM
Woordenschat: onderarm, herlezen en openslaan staan niet in bw of pw, maar zijn gemakkelijk af te leiden.
Moeilijke klanken zijn [ij] - [ei] en [sch(r)]. Van deze laatste klank wordt de uitspraak geoefend. De tweede hoofdzin in [1] is een lange samengestelde hoofdzin. Deel [2] bevat een elliptische hoofdzin: Ik mag er ook niet iets van zeggen wanneer ... Deze behoeven wellicht enige toelichting.
De laatste twee versregels van [1] zijn lastig te interpreteren door het spelen met woordbetekenissen (openslaan van een boek + openslaan van het bed als je gaat slapen of opstaat; in elkaar = als één geheel + de ander in mij en ik in de ander; je kunt wel in elkaar opgaan maar niet in elkaar opstaan). Dit gedicht is niet cultuurgebonden.
Bij oefeningen 2, 7 en 8.
♦ WEGGAAN
Woordenschat: soort (pw), uitsluipen en dichttrekken komen in beide woordenboeken niet voor, maar wel sluipen (pw) en trekken (bw).
Dit gedicht bevat veel samengestelde werkwoorden, waarover een oefening is toegevoegd waarmee de cursist leert om het accent op het voorvoegsel van het samengestelde werkwoord te leggen. De constructie “iemand op wie wordt gewacht” is erg moeilijk en wordt niet geoefend. In “weggaan kun je beschrijven als…” is de woordvolgorde gemarkeerd.
Bij oefeningen 3, 4 en 9.
♦ U
Woordenschat: geliefde (pw), andersom (pw), jouen wordt in een oefening toegelicht.
De constructies in dit gedicht zijn niet zo moeilijk (eenmaal een “om te”-constructie) maar de lengte van de zinnen is wel een moeilijkheidsfactor. Er is een oefening over de verschillen in aanspreekvormen (“jij” of “u”) tussen diverse culturen. De cursist oefent met de uitspraak van de tweeklank [au] en [ou].
Bij oefeningen 2 en 9.
♦ MEEUWEN
Woordenschat: meeuw, krijsen (pw).
Dit gedicht bestaat uit één lange zin, waarvan de constructie (een lange vergelijking) enige aandacht vergt. Dit komt terug in de oefening. Ook wordt in de oefening aandacht besteed aan de moeilijke klank [eeuw].
Verder is de specifieke geografische context belangrijk in dit gedicht. De vermelding van eilanden met krijsende meeuwen roept niet bij iedereen een duidelijk beeld op. De expressie-oefening laat de studenten hierop reflecteren en ermee oefenen.
Bij oefeningen 2 en 5.
♦ OP DINSDAG
Woordenschat: veer (pw), aangroeien (groeien staat wel in het basiswoordenboek.).
Dit gedicht is moeilijk omdat er veel woorden zijn weggelaten. Verder komt er zelfs een niet-bestaand woord in voor, dat daarentegen een transparante betekenis heeft. Bovendien is het heel abstract. De oefeningen gaan in op al deze moeilijkheden. Om met elkaar te overleggen over wat er wordt uitgedrukt in het gedicht moeten de studenten wel een zeker niveau van spreekvaardigheid bezitten. In de uitspraakoefening oefent de cursist de melodie van zelfgeschreven zinnen.
Bij oefening 2.
♦ BANDRECORDER, EENVOUDIG
Woordenschat: overkomen (pw), slikken (pw), (keel) schrapen (pw), suizen (pw), bandrecorder, geknisper en uitschoppen komen in beide woordenboeken niet voor, maar kunnen geïllustreerd worden.
Moeilijke klankcombinaties in dit gedicht zijn de klank [sch] voorafgegaan of gevolgd door andere medeklinkers. Bij de uitspraakoefening wordt deze lastige combinatie geoefend. De constructies van dit gedicht zijn niet zo lastig. De moeilijkheid is vooral gelegen in de betekenis van de diverse woorden die naar een Nederlandse/Belgische woonsituatie verwijzen en de moeilijke titel van het gedicht. Hierover is geen oefening opgenomen.
Bij oefeningen 2, 10 en 11.
♦ DIT IS EEN BRIEF AAN VADERS EN MOEDERS
Woordenschat: vasthouden (pw), succesvol (pw), chocolademelk (pw), drop (pw).
Het gedicht is vrij lang, maar er komen geen moeilijke constructies in voor. De vorm van de gebiedende wijs komt regelmatig terug. Eenmaal is de woordvolgorde gemarkeerd in “geld, daar kun je snoep voor kopen”. Het kind dat aan het woord is in het gedicht verwijst naar een aantal zaken die typisch zijn voor België of Nederland (chocolademelk, dropje op mijn knie, verhaaltje voor het slapengaan). De uitspraakoefening oefent de lange vocaal [aa] en de korte vocaal [i].
Bij oefeningen 2, 8 en 9.
♦ ZONDER JOU
Woordenschat: hinderlijk (pw), merel (pw), zachtjes(pw), heus (pw), best (znw) (pw), nou staat in bw onder “nu”, ooievaar (pw), heg (pw), bloeien (pw), roos (pw), zinloos (pw), bruidstooi, meidoorn, tactloos en lindenlaan staan in geen van beide woordenboeken.
Dit gedicht is vooral moeilijk vanwege het gebruik van veel zeldzame woorden voor allerlei bomen en planten. Er is een oefening voor de betekenis van alle woorden uit de natuur. Het ritme en het rijm in het gedicht maken het erg muzikaal en geschikt om de uitspraak te oefenen. De lange zin in de tweede strofe is lastig doordat de hoofdzin wordt uitgesteld. De uitspraakoefening speelt in op de alliteratie wereld - wonderlijk - weinig in regel 1 en 2.
Bij oefeningen 2, 8 en 9.
|