Gedichten
- De mus
- Soms
- De stad is nog stil
- De vogels
- 3 deuren
- als niemand
- En jij?
- Verlegen
- 5 korte gedichten:
- Bijna nooit...
- Herfst
- Sprookje
- Buiten
- Ziekenbezoek
- Het liefst
- Wijs
- Ik wil alleen
- In het donker van een onderarm
- Weggaan
- U
- Meeuwen
- Op dinsdag
- Bandrecorder, eenvoudig
- Dit is een brief aan vaders en moeders
- Zonder jou
De volgorde van de gedichten is volgens oplopende moeilijkheidgraad. Hierbij zijn de volgende criteria gebruikt:
- lay-out en interpunctie.
Lalleman (2001) stelt dat interpunctie een belangrijke bijdrage kan leveren aan inzicht in de structuur van het gedicht. Ook de lay-out van een gedicht, bijvoorbeeld de verdeling van de woorden over de verzen, kan het begrip vergemakkelijken of juist bemoeilijken.
- woordenschat.
Volgens Lalleman (2001) is een gedicht geschikt voor tweede-taalverwervers als het alleen woorden uit de basiswoordenschat bevat. Komen er toch nieuwe woorden voor, dan moeten die gebruikt worden in hun gewone betekenis. Bij deze gedichten hebben we aangegeven of de woorden in het Basiswoordenboek Nederlands stonden (De Kleijn en Nieuwborg 1996) en zoniet, of ze voorkwamen in het Pocketwoordenboek Nederlands als tweede taal (Van Dale 2003).
- klanken en constructies.
Er is steeds gekeken of het gedicht speciale klanken bevatte. Een voorbeeld is de klank [eeuw] in het gedicht Meeuwen van Herman de Coninck. Sommige gedichten bevatten bijzondere grammaticale constructies. Een voorbeeld is de constructie “als…dan” met als gevolg inversie in het gedicht En jij? van Tim Krabbé.
- woordvolgorde.
Volgens Lalleman (2001) moet de woordvolgorde in een gedicht ongemarkeerd zijn, wil het geschikt zijn voor tweede-taalverwervers. In het gedicht Ik wil alleen van Jan Arends heeft bijvoorbeeld de eerste zin, “Ik wil alleen maar weten wie ik ben”, een ongemarkeerde woordvolgorde. In de tweede zin daarentegen, “Een andere reden om te schrijven heb ik niet“, is de woordvolgorde gemarkeerd.
- betekenis en abstractie.
Bij dit criterium is niet speciaal uitgegaan van tweede-taalverwervers. Voor alle lezers, ook voor hen die het Nederlands als moedertaal hebben, zijn bepaalde gedichten moeilijker te begrijpen dan andere, bijvoorbeeld door de mate van abstractie.
- culturele context.
In een voorlopig onderzoek naar leesbaarheidscriteria (Van Lier 2003) kwam de factor plaats (cultureel of sociaal-geografisch) naar voren als belangrijk voor de toegankelijkheid van een verhaal of gedicht. Bij de gedichten is nagegaan in welke mate kennis van de Nederlandse/Vlaamse cultuur van belang is voor het begrip.
- oefeningen.
We hebben steeds gekeken of in de oefeningen op de een of andere manier aandacht is besteed aan een van bovenstaande zaken. Sommige oefeningen zijn heel vrij, andere juist zeer gestructureerd. In tegenstelling tot wat veel mensen verwachten, blijken vrije opdrachten vaak eenvoudiger voor beginnende leerders dan gestuurde (Van Kalsbeek 2004). De gedichten met oefeningen bij moeilijke onderdelen hebben we als makkelijker geclassificeerd dan gedichten waarbij deze niet geoefend worden.